- Home
- Communicatie
- De dialoog met de lezer
De dialoog met de lezer
- Door Johan De Lille
- Gepubliceerd 23/02/11
- Communicatie
- Nog niet gewaardeerd
Johan De Lille
Sinds 1988 bouwde Johan een sterke reputatie op als trainer/consultant. Hij werkt momenteel als freelance bij Lesire en Partners.
Bekijk alle artikelen van Johan De LilleZoals in een mondelinge dialoog heeft ook de lezer, in de schriftelijke dialoog, behoefte aan ja’s (versterkers) om verder te lezen. De lezer wil bij regelmaat een antwoord vinden op een aantal onbewuste vragen – één daarvan is ongetwijfeld: wat heb ik hieraan?
Als westerlingen hebben we leren lezen en schrijven van linksboven naar rechtsonder – dit houdt in dat we er een vaste natuurlijke leescurve op nahouden. Aan de schrijver om op die leescurve de voor de lezer meest belangrijke items te plaatsen.
1 versterkers
a. foto en naam en titel van de auteur (versterker)
b. ook een persoonlijke noot of handtekening blijken aandachtstrekkers te zijn
c. de leescurve bevat ook enkele krachtige voordelen - voor de lezer is dit gelijk aan: ‘verderlezen’
2 alinea’s als versterkers
a. de leesbereidheid is hoger wanneer een alinea maximaal 6 tot 7 regels bedraagt
b. in lange teksten worden tussentitels eveneens als bevorderend ervaren
c. laat een alinea niet eindigen met een regel die maar 1 woord bevat
d. let ook op met gesplitste woorden op het eind van een regel, voluit geschreven woorden zijn meer begrijpbaar
3 onderstrepen
a. alleen de belangrijke woorden of zinnen worden onderstreept, ze zijn de ‘stopplaatsen’ en/of ‘fixeerpunten’ voor de ogen
b. hou rekening met de leescurve en plaatse ze daar waar ze als ‘blikvanger’ het meest opvallen
c. onderstreepte gedeelten staan ook best op het einde van de zin
4 verschillende weergaven
a. verspreide letters: woorden of titels met ruimere spatie tussen zijn slecht leesbaar
b. woorden in sierletters of voluit in hoofdletters zijn eveneens minder goed leesbaar
c. idem voor overdadig gebruik van cursief en vet weergegeven teksten
5 vragen stellen
a. stel regelmatig vragen aan de lezer, dit houdt de aandacht van de lezer hoog
6 lettertypes
a. het lettertype met voetjes werkt altijd beter, onderzoek wijst uit dat dit lettertype tot 25% beter leest
b. door de ‘voetjes’ ontstaat als het ware een ooglijn waarlangs het oog geleid wordt, net hierdoor is een dergelijk lettertype beter leesbaar voor het menselijk oog
7 kleuren en papier
a. zware kleuren zijn altijd een filter om te lezen, ze geeft onbewust het imago van onpersoonlijke teksten, niet aansprekend
b. zwart/ wit en het gebruik van pastelkleuren zijn wel geschikt
c. mat papier leest sneller en beter dan glanzend papier
d. bijkomende kleuren in de teksten kunnen, weliswaar beperkt, en worden bij voorkeur dan nog gebruikt voor bijvoorbeeld de onderstrepingen
e. rood, geel en oranje zijn hiervoor minder geschikt
8 beeldelementen
a. 1 tot 2 beeldelementen per pagina is aangewezen
b. plaats ze bij voorkeur rechtsboven en linksonder, hierdoor verhoog je gevoelig de leesintensiteit, de ogen moeten als een ‘slang’ over de tekst, ipv de snelle doorgang van linksboven naar rechtsonder te kunnen maken
c. ook het gebruik van de Johnson-Box versterkt, dit is een tekstblok – net voor de tekst – die het voordeel/belang van de tekst beschrijft
9 attentiewaarde
a. antwoordcoupon, reactiemogelijkheid, recht op …-faxen, en dergelijke ‘invoegingen’ verhogen de waarde van de teksten gevoelig, laat de lezer iets doen (brood en spelen)
b. geef ze de kans iets aan te vragen (het woord gratis doet vaak wonderen)
10 taalgebruik
a. spreek de taal van de lezer, KISS-methode
b. vermijd teveel vakjargon en superlatieven
c. maak geen ‘indruk’ – maak iets duidelijk
d. wees specifiek en concreet
e. druk u steeds positief uit, positieve woorden geven extra gewicht aan de tekst
f. vermijd een te populaire stijl
g. gebruik steeds actieve werkwoorden, laat zoveel mogelijk hulpwerkwoorden uit de tekst
h. gebruik korte zinnen, maximaal 15 woorden per zin
i. de leesintensiteit verhoogt bij gebruik van wisselende zinlengte
j. systematisch gebruik van zinnen met minder dan 10 worden doet naïef aan
k. bij gebruik van woorden met meer dan 3 tot 4 lettergrepen schrijven we nog maar communiceren we niet meer
l. herhaal sleutelwoorden: dit zijn woorden die kerngedachten en kernactiviteiten weergeven
11 standaarduitdrukkingen
a. vervang ze door 1 woord
i. ‘om’ en ’over’ ipv ‘met betrekking tot’
ii. ‘omdat’ en ‘doordat’ ipv ‘gelegen in het feit dat’
iii. ‘als’ ipv ‘voor het geval dat’
12 tell-tell-tell
a. zeg wat je gaat vertellen, vertel het en zeg op het einde wat je net vertelde (de samenvatting)
b. probeer in de slotzin, de conclusie, de lezer persoonlijk aan te spreken
13 checklist
a. controleer duidelijkheid en effectiviteit
b. controleer spelling en interpunctie
c. controleer of de zinnen korter kunnen (schrap onnodige bijzinnen en bijwoorden)
d. schrijf zoveel mogelijk in de tegenwoordige tijd
e. bekijk vormgeving en indeling
f. laat je tekst door anderen lezen
g. en daar waar passend zet aan tot actie
Succes!
